Deel 1: Het pad van de vechter begrijpen
Wanneer de vechter ontwaakt
Sam zit aan een tafeltje in een koffiezaak en heeft uitgekeken naar dit rustige moment met een boek en een goede kop koffie. Als ze een haver-cappuccino besteld, zegt de barista: ‘Sorry, de havermelk is op’.
‘Is er echt nergens havermelk te vinden?’ Sam haar stem klinkt feller dan bedoeld. Haar houding verandert merkbaar: haar rug recht zich, haar schouders gaan naar achteren, haar kin gaat subtiel omhoog. Het is alsof het lichaam zich klaarmaakt voor een confrontatie.
‘Kun je niet even havermelk halen bij de supermarkt hiernaast?’
De barista kijkt wat ongemakkelijk.
‘Dat gaat nu helaas niet, ik kan niet weg van de zaak.’ Sam voelt de irritatie groeien en merkt een bekende fysieke reactie op: warmte die opstijgt, de kaak die aanspant, handen die zich tot vuisten vormen.
‘Dan ga ik wel ergens anders heen,’ zegt ze kortaf, terwijl een innerlijke stem fluistert: Is dit het nou waard?
De neiging om direct te willen ingrijpen en corrigeren wat er niet ‘goed’ gaat, kenmerkt ook Sams werk. Als startende fysiotherapeut in een groepspraktijk brandt ze van ambitie. Overal ziet ze mogelijkheden voor verbetering – van de manier waarop oefeningen worden uitgelegd tot hoe behandelplannen worden opgezet. Dus wanneer Sam ziet hoe een collega een oefening uitlegt aan een patiënt, lukt het niet om de impuls om in te grijpen te onderdrukken. ‘Kijk, als je het zó doet,’ onderbreekt Sam dan, om vervolgens de hele instructie van zijn collega over te nemen. Of als een collega vertelt over een behandelplan, breekt Sam in: ‘Maar heb je al gedacht aan…?’ waarna een stortvloed aan suggesties volgt. De intentie is goed – ze wil immers het beste voor de patiënten – maar collega’s trekken zich steeds vaker terug.
Het kantelpunt komt tijdens een typische ‘Sam-dag’. Sam neemt drie behandelingen over van collega’s, is constant geneigd anderen te corrigeren en blijft tot laat werken om alle administratie tot in de puntjes te verwerken. Als een ervaren collega vraagt of het niet wat minder mag, reageert ze direct verdedigend: ‘Ik wil gewoon dat patiënten de beste zorg krijgen.’
‘Dat willen we allemaal,’ zegt de collega rustig. ‘Maar zie je wat het met het team doet? En met jou?’ Het is de laatste vraag die blijft hangen. Die avond, tijdens het bijwerken van behandelverslagen, merkt Sam haar gespannen schouders op, de vermoeidheid, de constante drang om alles te controleren. Deze bewustwording zorgt ervoor dat er ruimte ontstaat voor reflectie. Sam besluit na het werk om over deze vragen te journallen:
- Waarom vind ik het zo moeilijk om anderen hun eigen weg te laten vinden?
- Wat zegt deze constante drang om in te grijpen over mij?
- Hoe zou het zijn om soms gewoon te observeren in plaats van direct te handelen?
Na het weekend, als Sam merkt dat de vechtersreactie weer opkomt bij het samenwerken met een collega die naar haar mening ‘te langzaam’ werkt, besluit ze het anders aan te pakken. In plaats van direct in te grijpen, besluit Sam te vragen: ‘Hoe pak jij dit aan? Ik merk dat ik het anders zou doen, maar ben benieuwd naar jouw aanpak.’
De verbaasde maar positieve reactie van de collega opent een nieuwe deur: Sam ontdekt dat er ruimte is om zowel daadkrachtig als nieuwsgierig te zijn. Deze bewustwording betekent niet dat zijn vechtersreactie verdwijnt – die blijft zich aandienen bij dingen die ‘beter’ kunnen. Maar er ontstaat langzaam meer ruimte tussen de impuls en de actie. Ruimte waarin ze kan kiezen: is dit een moment om in te grijpen of om te observeren? Om te leiden of om te leren?