Anna's verhaal: van generatiepatroon naar bevrijding
Anna komt bij een opstellingsleider in de praktijk met een herkenbaar probleem: haar 14-jarige dochter wordt gepest op school en worstelt met onzekerheid en een laag zelfbeeld. ‘Ik zie mezelf gespiegeld terug in haar,’ vertelt Anna tijdens het intakegesprek. ‘En het breekt mijn hart, want ik herken dit patroon. Ik had hetzelfde als kind, en mijn moeder ook. Het lijkt wel alsof we het gewoon doorgeven van generatie op generatie.’
De therapeut legt uit wat een familieopstelling is en stelt voor om Anna’s gezin van oorsprong op te stellen. Voor deze sessie wordt er gewerkt met ‘vloerankers’: papiertjes met namen erop die op de vloer worden gelegd, in plaats van echte mensen als representanten.
Anna schrijft de namen van haar familieleden op verschillende blaadjes: zichzelf, haar moeder Rieneke, haar vader Teun, haar broer Jos, en haar overleden zusje Sophie die doodgeboren werd. Elk blaadje krijgt een pijltje dat de kijkrichting aangeeft.
Met gesloten ogen en vanuit haar innerlijke gevoel legt Anna haar familie neer in de ruimte. Intuïtief plaatst ze haar moeder twee meter van zichzelf af, niet naar haar kijkend maar ergens anders in de ruimte. Haar vader zet ze pal voor haar moeder, haar broer helemaal aan de overkant bij de muur, en haar overleden zusje rechts van haarzelf.
‘Geen idee waarom, maar zo voelt het goed,’ zegt Anna. ‘Zo was het.’
Wanneer Anna op haar eigen vloeranker gaat staan, voelt ze direct druk op haar borst en wordt ze misselijk. De opstellingsleider vraagt haar gewoon te voelen wat er in haar lichaam gebeurt, zonder het te analyseren.
Vervolgens gaat de therapeut zelf op de verschillende plekken staan om te voelen wat elk familielid heeft ervaren. Wanneer zij op de plek van Anna’s moeder staat, wordt duidelijk waar moeder naar kijkt: naar een vast punt op de grond aan de overkant. ‘Er ligt daar iemand,’ voelt de therapeut. Er wordt een blaadje met ‘dode’ neergelegd op die plek.
De moeder blijkt gefixeerd te zijn op deze overleden persoon en zakt door haar knieën om zich over deze dode te bekommeren. Anna voelt dit direct: ‘Nu ziet ze me helemaal niet meer. Dat herken ik wel.’ Haar vader, die voor zijn vrouw stond, wordt machteloos en ontredderd: ‘Waar is ze nou? Is ze weer gegaan?’
Het patroon wordt pijnlijk duidelijk: moeder was emotioneel niet beschikbaar omdat ze vastgehouden werd door een overleden familielid. Anna heeft haar hele kindertijd geprobeerd de aandacht van haar moeder te krijgen, maar die kon haar niet zien. De therapeut stelt ook Anna’s innerlijke kind op, een deel dat al die tijd heeft gehuppeld en geroepen: ‘Hallo, zie je mij niet?’ Wanneer Anna op de plek van dit innerlijke kind voelt, ervaart ze de diepe eenzaamheid en uitputting van het kleine meisje dat nooit gezien werd.
‘Hier zit de energie,’ zegt de therapeut. ‘Je innerlijke kind heeft al die jaren geprobeerd de aandacht van je moeder te krijgen, maar die kon er niet zijn. Het is tijd om zelf die aandacht te geven.’
De therapeut begeleidt Anna in het uitspreken van helende zinnen naar haar innerlijke kind: ‘Lief kind, ik zie jou. Ik heb je heel lang niet gezien, want ik wilde vooral de bevestiging van mijn moeder hebben. Maar nu zie ik dat die er niet kan zijn. Sorry dat ik je zo lang heb verwaarloosd.’
Deze opstelling markeert het begin van Anna’s transformatie. In de weken erna blijft ze oefenen met het zien en koesteren van haar innerlijke kind. Door zelf de innerlijke moeder te worden van haar eigen innerlijke kind, kan ze stoppen met het eindeloze zoeken naar bevestiging van haar moeder.
Een paar maanden na deze sessie vertelt Anna dat niet alleen haar eigen zelfvertrouwen is gegroeid, maar dat ook haar dochter minder onzeker lijkt. Door het doorbreken van het generatiepatroon in haarzelf, heeft ze ruimte gecreëerd voor haar dochter om anders op te groeien.