Een paar weken geleden kreeg Sterre promotie. Er kwam een vacature voor een teamleider vrij en ze besloot – na veel aanmoediging van haar collega’s – te solliciteren. Haar kritische stem probeerde haar tegen te houden: ‘Wie denk je wel niet dat je bent?’ Maar toen zelfs haar huidige teamleider haar aanmoedigde om te solliciteren, besloot ze het toch te proberen.
Tot haar verbazing kreeg ze de baan, waardoor ze nu iedere ochtend naar de kantoorruimte loopt waar alle teamleiders hun bureau hebben. Waar je kunt denken dat ze dit vol vertrouwen deed (ze had immers veel erkenning van buitenaf gekregen), werd haar onzekerheid alleen maar sterker.
Haar onzekere kant liet van zich horen in haar lichaam: haar schouders waren gespannen, ze had weinig zin in eten en een diepe ademhaling was iets wat niet in haar dag paste. De spanning bereikte een hoogtepunt toen ze op een middag vergat om een belangrijk document op te slaan. Het ging om een document waar meerdere mensen wekenlang aan hadden gewerkt. Ze verwijderde per ongeluk de laatste wijzigingen en had geen idee hoe ze dit ongedaan kon maken.
In plaats van hulp te vragen, gaf ze haar brein de ruimte om een langspeelplaat af te spelen vol zelfkritiek:
- Zie je wel, ik kan dit niet.
- Ik ben echt een waardeloze teamleider, wat dacht ik wel niet van mezelf?
- Waarom heb ik in godsnaam gesolliciteerd, ik heb dit falen echt over mezelf afgeroepen.
Door dit incident werd Sterre steeds strenger voor zichzelf. Elke vergadering die niet perfect liep, elk mailtje dat niet precies de juiste toon had: op alles was ze kritisch. Door al het malen kon ze ‘s avonds niet in slaap vallen. ‘Je bent gewoon niet goed genoeg,’ zei zijn innerlijke stem steeds weer. En: ‘Een echte teamleider zou dit allang onder controle hebben.’
Een paar maanden na haar promotie kon Sterre het niet meer opbrengen om naar haar werk te gaan. Alhoewel niemand ontevreden over haar was, geloofde ze dat deze baan niet voor haar was weggelegd. Het liefst wilde ze nooit meer iets van zich laten horen, verdwijnen en ergens op een andere plek op de wereld weer opduiken. Toch bewoog haar gezonde deel haar ertoe naar de bedrijfsarts te gaan.
‘Ga maar vooral veel leuke dingen doen de komende tijd,’ had hij gezegd. ‘Je moet echt even een tijdje bijkomen, ik meld je ziek voor onbepaalde tijd.’
Sterre had geen idee wat ze bedoelde met ‘leuke dingen doen’ en vertelde dit ook aan haar beste vriendin Fayah toen ze elkaar zagen.
‘Volgens mij hoef je niet per se leuke dingen te gaan doen, volgens mij moet je vooral een beetje leuk tegen jezelf doen.’
‘Sorry, wat?’
‘Nou, ik hoor hoe hard je voor jezelf bent. Je praat tegen jezelf op een manier waarop je nooit tegen een ander zou praten.’
‘Tja.’
‘Ik meen het,’ zei Fayah. ‘Als ik dit zou meemaken, wat zou jij dan tegen mij zeggen?’
Die vraag raakte iets in Sterre. Ze wist precies wat ze tegen Fayah zou zeggen: dat het niet gek was om een beetje vast te lopen na zo’n grote verandering. Dat ze trots mocht zijn op wat ze al bereikt had. Dat ze aan het groeien was en dat dat soms ook oncomfortabel was en dat ze dat gewoon de tijd mocht geven.
‘Misschien moet je eens beginnen met het maken van een wandelingetje iedere dag?’ stelde Fayah voor. ‘Gewoon, om even uit je hoofd te komen.’
‘Want? Een wandelingetje maken gaat me helpen?’ Ze hoorde zelf hoe cynisch ze klonk. ‘Probeer het nou maar,’ zei ze rustig. ‘Je hoeft er niks van te vinden.’
De wandeling
Al voelde Sterre weerstand, ze besloot te luisteren naar Fayah. Elke dag trok ze, na haar kop koffie in de ochtend, haar schoenen aan en stapte de deur uit richting het park. In het begin voelde het als tijdverspilling. Ze had het gevoel dat hij iets nuttigs moest doen, dat ze aan haar herstel moest ‘werken’. Toch merkte ze langzaam dat die wandelingen haar ruimte gaven. Voor het eerst in maanden voelde ze hoe moe ze eigenlijk was en kreeg ze in de gaten dat ze zichzelf altijd pushte.
En ergens, heel voorzichtig, ontstond er een stem die vroeg: wat als het ook anders kan?
Door het park liep een kleine beek die altijd een paar bladeren meenam in de stroom. Op een ochtend zat Sterre op een bankje bij die beek. Het was nog vroeg, de zon kwam net op. Ze keek naar de bladeren die voorbij dreven, sommige licht, andere donker. Terwijl ze daar zat, dacht ze terug aan wat Fayah had gezegd over anders met zichzelf omgaan. Wat als ze haar kritische gedachten kon zien als die bladeren? Deze bladeren kunnen, als ze zich ophopen, de beek omtoveren tot een modderige poel waarin geen water meer te bekennen is. Maar, als ze zich mee laten voeren met de stroom, zijn ze gewoon een onderdeel van de beek. Niet allesoverheersend en bepalend.
Het was een klein inzicht, maar het zette iets in haar in beweging. Wat als al die zelfkritiek ook zo kon zijn? Als onderdeel van haar, maar niet als de enige waarheid? Misschien was er ook ruimte om anders tegen zichzelf te praten. Niet om zichzelf op te vrolijken of te pushen, maar gewoon… vriendelijk en begripvol.
Hoe onwennig het ook voelde, Sterre besloot dit te proberen. In het begin deed ze het alleen tijdens haar wandelingen. Als ze merkte dat er een kritische gedachte omhoog kwam (‘je bent lui, je moet aan het werk’), probeerde ze deze eens van een afstandje te bekijken:
‘Ah, daar is die kritische stem weer. Ik snap dat je me wilt helpen, bedankt daarvoor. Maar in werkelijkheid heb ik nu juist rust nodig.’
Heel langzaam begon er iets te verschuiven. Het viel haar op dat ze niet alleen tijdens die wandelingen probeerde om haar kritische stem van een afstandje te beluisteren, ook in momenten daaromheen verloor ze zich niet meer zo vaak in eindeloze zelfkritiek. Als ze merkte dat ze zichzelf weer aanviel, pauzeerde ze even:
‘Oké Sterre, dit is een moeilijk moment. Wat heb je nu nodig?’
Ze voelde hoe haar schouders wat zakten bij die vraag, hoe er letterlijk meer ruimte kwam om adem te halen.
Door haar gedachten te laten stromen als de bladeren in de beek en tegelijk vriendelijk tegen zichzelf te blijven, werd het water helderder. Ze kon weer haar andere kanten zien: haar kracht, haar warmte, haar wijsheid. Dit betekende niet dat de kritische stem verdween – ze was er nog steeds. Maar ze overstemde niet meer alles.
Na een paar weken wandelen, bellen met Fayah en veel oefenen met luisteren naar zijn vriendelijke stem, begon Mathijs weer met een paar uur werken per week. Op een dag vroeg een collega aan hem hoe hij zo rustig kon blijven toen een belangrijk project dreigde mis te lopen. Hij glimlachte: ‘Ik ben niet altijd rustig,’ zei hij. ‘Maar ik heb geleerd dat ik er voor mezelf kan zijn, juist als het moeilijk is. En soms betekent dat gewoon even pauzeren, kijken wat er nodig is, en dan pas handelen.’